Invoeren van een pensioenregeling

Een pensioenregeling is een belangrijke secundaire arbeidsvoorwaarde voor een werknemer. Het geeft hem (de hoop op) een goede oudedagsvoorziening. Aan de pensioenregeling zijn veel fiscale voorwaarden verbonden.


Een werkgever is in beginsel niet verplicht een pensioen te regelen voor zijn werknemers. Dit is anders als er in zijn branche een pensioenregeling verplicht gesteld is en er een bedrijfstakpensioenfonds is. Is er geen verplicht gestelde regeling, dan kunnen werkgever en werknemer samen een pensioenregeling opstellen binnen het arbeidsvoorwaardenoverleg. Er kan dan binnen de cao een pensioenregeling worden afgesproken. Een andere mogelijkheid is dat de regeling wordt afgestemd met de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging. Bij de vaststelling van de pensioenregeling moet rekening worden gehouden met de eisen die de wetgever stelt. 

Wet op de loonbelasting

Bij een pensioenregeling zijn veel fiscale aspecten die in de gaten moeten worden gehouden. Deze zijn in de Wet op de loonbelasting terug te vinden. Alle voordelen uit een dienstbetrekking zijn direct belast op het moment van genieten. Onder alle voordelen vallen niet alleen betalingen in geld, maar ook loon in natura. Een recht op uitkeringen (ook wel aanspraak genoemd) is zo’n loon-in-naturacomponent. Volgens de hoofdregel is een werknemer belasting verschuldigd op het moment dat hij een aanspraak (waaronder het recht op pensioen) krijgt toegekend.

 

Omkeerregel

In de praktijk gebeurt het echter nauwelijks dat belasting wordt geheven op het moment dat het pensioen wordt toegekend. De heffing vindt namelijk plaats over de uitkeringen op basis van de zogenoemde omkeerregel. Deze regeling bepaalt dat het pensioenrecht onbelast blijft en de belasting later wordt betaald over de uitkeringen. Aangezien de meeste mensen na pensionering in een lagere inkomensschaal terechtkomen, levert de omkeerregel meestal een fiscaal voordeel op. Dat fiscale voordeel biedt de overheid om mensen te stimuleren hun pensioenvoorzieningen goed te regelen.

 

Voorwaarden aanspraak

Voor het kunnen toepassen van de omkeerregel is het van belang dat de aanspraak voldoet aan de wettelijke voorwaarden.

Deze voorwaarden zijn:
• de pensioentoezegging moet zijn gedaan aan de wettelijk bepaalde kring van gerechtigden (denk aan werknemer, partner en kinderen);
• de pensioentoezegging moet alleen wettelijk gedefinieerde pensioensoorten omvatten;
• de regeling moet worden uitgevoerd door een erkende verzekeraar;
• de pensioenen moeten worden opgebouwd volgens een eindloon-, middelloonregeling of beschikbarepremiestelsel waarbij de pensioenen wat betreft hoogte binnen de wettelijke grenzen blijven. Een opbouwcombinatie is overigens mogelijk;
• het pensioen mag in beginsel niet worden afgekocht. In de Pensioenwet staan de gevallen genoemd waarin afkoop van pensioen wel is toegestaan.

 

Pensioen voor partner

Een (ex-)werknemer kan in aanmerking komen voor een ouderdomspensioen of arbeidsongeschiktheidspensioen. Ingeval een werknemer komt te overlijden, kan de partner een partnerpensioen krijgen.

Volgens de wet kan het partnerpensioen alleen toekomen aan degene met wie de werknemer:
• gehuwd is of is geweest;
• een geregistreerd partnerschap heeft of heeft gehad; of
• duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voert of heeft gevoerd.

 

Extra eisen

Voor de laatste categorie wordt als aanvullende voorwaarde gesteld dat er tussen de werknemer en degene met wie hij samenwoont geen bloed- of aanverwantschap in de eerste graad bestaat. Kinderen kunnen daardoor geen partnerpensioen opbouwen voor hun ouders en omgekeerd. Hoewel de wet dit niet vereist, wordt in veel pensioenregelingen voor ongehuwd samenwonenden als aanvullende voorwaarde gesteld dat men gedurende een minimale periode samenwoont en soms ook dat dit blijkt uit een notariële samenlevingsovereenkomst. Op basis van de fiscale wetgeving is alleen vereist dat men duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voert.

 

Pensioen voor kinderen

Als een werknemer komt te overlijden, kunnen de kinderen aanspraak maken op een wezenpensioen. Het begrip ‘kind’ wordt ruim opgevat. Naast de echte eigen kinderen van een werknemer komen ook pleegkinderen in aanmerking voor dit pensioen. Het wezenpensioen mag (fiscaal) maximaal doorlopen tot het moment dat het kind 30 jaar wordt. In veel pensioenregelingen staat echter dat het wezenpensioen uitkeert totdat het kind 21 jaar is.

 

Slotbegunstiging

Een pensioenregeling moet tot doel hebben een werknemer van inkomen te voorzien als het arbeidsinkomen wegvalt en – ingeval – na zijn overlijden zijn (ex-)partner en kinderen van inkomen te voorzien. Naast de hiervóór genoemde pensioenen mag een pensioenregeling ook een slotbegunstiging kennen. Hierin wordt bepaald dat bij het overlijden van de werknemer vóór de pensioendatum een pensioenkapitaal wordt uitgekeerd aan een erfgenaam niet zijnde de (ex-)partner of kinderen.

 

Toegelaten verzekeraars

In de Wet op de loonbelasting is bepaald wie kan optreden als kwalificerende verzekeraar.

Dit is:
• een in Nederland gevestigd pensioenfonds;
• een in Nederland gevestigde verzekeringsmaatschappij;
• een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het levensverzekeringsbedrijf uitoefent, mits het pensioen de voortzetting is van pensioenopbouw van vóór binnenkomst in Nederland;
• een eigen pensioen-bv of pensioenstichting, mits aan de voorwaarden van eigen beheer wordt voldaan; of
• een premiepensioeninstelling.

 

Advies

Een werkgever die een pensioenregeling wil invoeren of wijzigen kan deze voorleggen aan de belastinginspecteur. De inspecteur beoordeelt de regeling en geeft een beschikking af. Als men het niet eens is met die beschikking, zijn bezwaar en beroep bij de belastingrechter mogelijk. Een gerechtelijke procedure kan lang duren. Vandaar dat in de wet is opgenomen dat men voor collectieve regelingen een zogenoemde glijclausule kan opnemen. In een glijclausule kan worden bepaald dat een bovenmatige regeling met terugwerkende kracht wordt teruggebracht naar een wel aanvaardbaar niveau.